
De onzichtbare hefboom voor transities

Auteur: Diana Vonk Noordegraaf
De recente analyses van Draghi en Wennink geven aan dat de toekomstige welvaart van Europa en Nederland afhangt van blijvende investeringen in productiviteit, innovatie en strategische autonomie. Die oproep vindt veel weerklank in een wereld van geopolitieke onzekerheid, technologische concurrentie en ingrijpende maatschappelijke transities. Tegelijkertijd wringt er iets fundamenteels. Terwijl economische groei en technologische vooruitgang hoog op de agenda staan, lopen we in de praktijk steeds vaker tegen grenzen aan die niet eenvoudig weg te investeren zijn.
Groeiambities botsen op zichtbare grenzen
In economische kernregio’s – zoals de Brainportregio – komt deze spanning duidelijk tot uitdrukking. De regio Brainport Eindhoven wil 8.000 extra woningen bouwen per jaar. Tegelijkertijd nemen reistijden naar Brabantse steden op piekmomenten met 31 tot 44 procent toe (ten opzichte van de reistijd in daluren), moeten bedrijven tot minimaal 2033 wachten op een elektriciteitsaansluiting en belandt in 91 procent van de kwetsbare natuurgebieden teveel stikstof. De natuur is zo kwetsbaar geworden dat in sommige bossen honden niet meer mogen worden uitgelaten. Ook de sociale cohesie staat onder druk: in de regio Eindhoven voelt 6 procent van de mensen zich minder verbonden met de eigen buurt dan een paar jaar geleden. Samen tekenen deze cijfers een regio die economisch floreert, maar fysiek en sociaal steeds moeilijker kan meebewegen.
De ruimte is dus schaars, netcongestie belemmert nieuwe ontwikkelingen, het mobiliteitssysteem loopt vast en ‘t goeie leven’ komt onder druk te staan. Voor 200.000 extra mensen en de bijbehorende transitieopgaven is simpelweg onvoldoende ruimte beschikbaar.
Niet óf we kiezen, maar hóé we kiezen
Het gevolg is een groeiende spanning tussen strategische ambities en de daadwerkelijke bereidheid en capaciteit van samenleving en instituties om die ambities waar te maken. Die spanning wordt vaak benaderd als een technisch, institutioneel of financieel probleem. Daarmee missen we echter een dieperliggende en allesbepalende laag. We weten dat lastige keuzes onvermijdelijk zijn maar ook moeilijk, dus de centrale vraag is: hoe maken we die keuzes?

“Deze mentale modellen bepalen wat actoren als wenselijk, haalbaar of onvermijdelijk beschouwen. Denk aan impliciete overtuigingen over wonen (‘groei vraagt om bouwen aan de randen van de stad’), mobiliteit (‘economische ontwikkeling vereist bereikbaarheid per auto’) of energie (‘stroom is altijd en overal beschikbaar’).”
Diana Vonk Noordegraaf, Senior consultant Strategie en Beleid
De macht van aannames
Onder beleidskeuzes, investeringsbeslissingen en maatschappelijke discussies liggen diepgewortelde aannames over hoe de wereld werkt en zou moeten werken: mentale modellen. Deze mentale modellen bepalen wat actoren als wenselijk, haalbaar of onvermijdelijk beschouwen. Denk aan impliciete overtuigingen over wonen (“groei vraagt om bouwen aan de randen van de stad”), mobiliteit (“economische ontwikkeling vereist bereikbaarheid per auto”) of energie (“stroom is altijd en overal beschikbaar”). Deze aannames sturen gedrag en besluitvorming, vaak zonder expliciet te worden benoemd of bevraagd.
Het probleem is niet dát we mentale modellen hebben – die zijn noodzakelijk om complexiteit hanteerbaar te maken. Het probleem ontstaat wanneer ze de status quo blijven bevestigen, met elkaar conflicteren of niet meebewegen met veranderende maatschappelijke en fysieke realiteiten. In een context waarin ruimtelijke, ecologische en sociale grenzen steeds zichtbaarder worden, kunnen onbewuste aannames leiden tot beleidslock-ins (situaties waarin ander beleid kostbaar, complex of onaantrekkelijk is), maatschappelijke weerstand en suboptimale oplossingen.
Daarom is naast technische en institutionele veranderingen ook aandacht nodig voor cognitieve verandering. Juist wanneer keuzes betwist zijn en belangen botsen, is het expliciteren van onderliggende aannames essentieel. Niet om verschillen weg te poetsen, maar om ze zichtbaar te maken. Effectieve samenwerking en innovatiekracht vraagt immers om een elkaars taal spreken en een eenduidig begrippenkader. Toch wordt deze dimensie vaak nog gezien als een zachte randvoorwaarde, en zelden als een systeemdriver van betekenis.

“Niets is echter minder waar: uit de systeeminnovatie-literatuur blijkt dat mentale modellen juist een cruciale rol spelen in waar frictie ontstaat én hoe die frictie kan worden benut als hefboom voor verandering.”
Diana Vonk Noordegraaf, Senior consultant Strategie en Beleid
Mentale modellen als hefboom voor systeemverandering
Niets is echter minder waar: uit de systeeminnovatie-literatuur blijkt dat mentale modellen juist een cruciale rol spelen in waar frictie ontstaat én hoe die frictie kan worden benut als hefboom voor verandering. Donella Meadows noemt het expliciteren van mentale modellen en het overstijgen van je eigen mentale model zelfs de meest impactvolle hefboom voor systeemverandering. Pas wanneer aannames expliciet worden en mensen zich realiseren dat ze geen natuurwetten zijn, ontstaat ruimte voor reflectie en herijking.
Het is daarom tijd om de focus te verschuiven van het verdedigen van standpunten naar het gezamenlijk onderzoeken van onderliggende denkbeelden en achterliggende waarden. De sociale wetenschappen bieden nu al rijke inzichten in hoe mensen informatie verwerken, risico’s inschatten en keuzes maken. Ook zijn er al een aantal praktisch toepasbare methoden om spanningsvelden en mentale modellen in beeld te brengen. Voorbeelden zijn de NSOB-publicatie Waarden Wo(o)rden, Werkelijkheden en de publicatie van TNO en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over beleidsnarratieven en brede welvaart en de TNO UNLOCK-aanpak. Wanneer deze kennis wordt verbonden met ruimtelijke, mobiliteits- en energie-expertise kan een brug worden gebouwd tussen strategische ambities en concrete stedelijke planning én uitvoering.
Wat nog verder ontwikkeld moet worden, zijn methoden om mentale modellen op collectief niveau expliciet te maken, te vergelijken en vooral - gericht met elkaar te verbinden. Dat maakt doelgerichte afstemming mogelijk: niet omdat iedereen hetzelfde moet denken, maar omdat er een gedeeld begrip ontstaat van waar verschillen vandaan komen en welke aannames ruimte bieden voor alternatieven. Zo blijkt dat spanningen rond woningbouw vaak minder draaien om aantallen, maar meer om uiteenlopende opvattingen over leefkwaliteit, brede welvaart en toekomstbestendigheid. Ook hier spelen mentale modellen. Het huidige mentale model duidt de Rijksbouwmeester als ‘nieuwbouw van grotere eengezinswoningen’ en hij noemt woningsplitsing als alternatief: ‘Als je van alle bestaande woningen 5% aanpast, is het woningtekort grotendeels weggewerkt.’
Durven reflecteren op aannames
Juist in tijden van schaarste bepaalt ons denken niet alleen wat we wenselijk vinden, maar ook wat we als mogelijk beschouwen. Wie de transities waar Europa en Nederland voor staan serieus neemt, kan niet volstaan met alleen sneller bouwen of meer investeren. We moeten ook durven reflecteren op de aannames die ons handelen sturen. Het expliciteren en bevragen van mentale modellen is daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor effectieve en breed gedragen besluitvorming.
Dank aan diverse collega’s van verschillende TNO-units, in het bijzonder Isabel Wilmink, Arjen Adriaanse en Stefanie de Hair, en externe partners voor de inspirerende gesprekken over dit onderwerp; eventuele tekortkomingen in deze reflectie zijn geheel aan de auteur toe te schrijven.




